Extra informatie over Guyana
Algemeen
Voor de komst van de Europeanen werd het gebied van het huidige Guyana bevolkt door twee indianenstammen, de Cariben en de Arawakken. Zij noemden het land Guiana. Nederlanders vestigden zich aan het eind van de 16e eeuw. In 1763 werd een grote slavenopstand geleid door de slaaf Cuffy, die hierdoor de status van nationale held kreeg. In 1796 kwam het gebied onder Brits bewind en vanaf het Congres van Wenen (in 1815) maakte het officieel deel uit van het Verenigd Koninkrijk. In 1831 werd het gebied benoemd tot de kolonie Brits Guiana. Drie jaar later werd de slavernij afgeschaft en huurden de Britten goedkope werkkrachten in afkomstig uit India, China en Portugal om op de plantages te werken. Veel van de voormalige slaven trokken naar de stad en vormden grotendeels de huidige stedelijke bevolking. De Indiase bevolking bleef op het platteland.
In 1953 intervenieerden Britse troepen in Brits Guiana, omdat het Verenigd Koninkrijk vreesde dat het echtpaar Jagan en de door hen opgerichte politieke partij, de People's Progressive Party (PPP), van Guyana een communistische staat zouden maken. Sinds de opsplitsing van de PPP in 1955 is de Guyaanse politiek meer op etniciteit gebaseerd dan op ideologie.
In 1966 werd Guyana onafhankelijk. Op 23 februari 1970 werd de Republiek uitgeroepen, de dag van de slavenopstand van Cuffy. Vanaf de onafhankelijkheid tot aan zijn dood in 1985 was Forbes Burnham president van het land. Hij regeerde op een autocratische wijze. Na zijn dood werd Hugh Desmond Hoyte president. Hij vormde het politieke systeem om van staatssocialisme en eenpartijstelsel naar een systeem met een markteconomie en persvrijheid. In 1992 werd Cheddi Jagan president. Na zijn overlijden in 1997 volgde zijn echtgenote Janet Jagan hem op. In 1999 werd zij vervangen door de voormalige minister van Financin, Bharrat Jagdeo. Er werden nauwelijks veranderingen in het regeringsbeleid doorgevoerd door de nieuwe president.
Bij de verkiezingen van maart 2001, gemonitord door een internationale delegatie onder leiding van Jimmy Carter, won de PPP/Civic van Jagdeo. Op 31 maart 2001 werd hij als president genaugureerd. Na de verkiezingen ontstond grote politieke onrust welke samenviel met een golf van criminaliteit; dit hield Guyana in haar greep tot aan mei 2003.
In 2004 wordt de politiek gedomineerd door onenigheid over veronderstelde banden tussen de politie, de minister van Binnenlandse Zaken Ronald Gajraj en een death squad, dat al sinds 2002 actief zou zijn. Gajraj heeft aangeboden om op te stappen, wat de spanningen tussen de regerende PPP/Civic en de PNC/Reform zou kunnen doen afnemen. Echter de nationale verkiezingen in de eerste helft van 2006 beginnen de politiek al weer te overheersen. Doordat de etnische loyaliteiten zeer diepgeworteld zijn blijft de huidige president de grote favoriet en is de kans groot dat hij voor de vierde opeenvolgende keer de verkiezingen zal winnen.
Staatsinrichting
Er is een Parlement dat bestaat uit n kamer met 65 leden, waarvan 53 direct worden verkozen en 12 worden gekozen uit regionale besturen. De ambtsperiode voor de leden van het Parlement is vijf jaar. De hoogste juridische instelling is het Hof van Beroep.
Daarnaast is er nog lokaal bestuur. Guyana is verdeeld in tien districten (Barima-Waini, Cuyuni-Mazaruni, Demerara-Mahaica, East Berbice-Corentyne, Essequibo Islands-West Demerara, Mahaica-Berbice, Pomeroon-Supenaam, Potaro-Siparuni, Upper Demerara-Berbice, Upper Takutu-Upper Essequibo). Deze districten hebben elk een eigen bestuursorgaan, de Regionaal Democratische Raad. Deze wordt gekozen voor een periode van vijf jaar en vier maanden, maar kan indien gewenst worden ontslagen door de president.
Binnenlandse politiek
Sinds 1970 is Guyana een republiek, met de president als hoogste autoriteit. De president wordt benoemd uit de partij die met de verkiezingen de meeste stemmen heeft gekregen. Hij mag al naar gelang de Nationale Vergadering aanhouden of vervangen.
Het vervangen van de president behoeft meer moeite. De president mag alleen ontslagen worden uit zijn ambt als hij ziek is, de grondwet schendt, of als hem wangedrag ten laste kan worden gebracht.
In Guyana heerst nog steeds politieke onrust ondanks de institutionele verbeteringen van het afgelopen decennium. Lange tijd werd de verkiezingsuitslag van december 1997 bestreden door de oppositiepartij PNC (waar voornamelijk Afro-Guyanezen lid van zijn) en ook de nieuwe verkiezingsuitslag heeft aanleiding gegeven tot een nieuwe uitbarsting van geweld.
Etnische conflicten spelen al sinds de jaren zestig een belangrijke rol in de Guyaneze maatschappij. Bij rassenrellen werd veel geweld gepleegd en voor miljoenen dollars aan materile schade aangericht.
In februari 2002 ontstonden opnieuw etnische ongeregeldheden als gevolg van de ontsnapping uit de gevangenis van de Afro-Guyanees Andrew Douglas. De Afro-Guyanezen in het land voelen zich politiek en economisch achtergesteld in de voornamelijk Indo-Guyanees georinteerde maatschappij, waardoor Douglas inmiddels een volksheld voor de Afro-Guyanesen is geworden. Sinds zijn ontsnapping hebben ten minste tien Indo-Guyanesen de dood gevonden en zijn een aantal politiefunctionarissen vermoord. De president staat machteloos, omdat de Afro-Guyanesen Douglas massaal steun verlenen. De moord op twee Afro-Guyanese protestanten door de politie in datzelfde jaar heeft het etnische conflict weer op scherp gezet. Verschillende malen braken er etnisch genspireerde gewelddadige onlusten uit, met name in en rond het plaatsje Buxton. In Juli 2002 liep het geweld hoog op tijdens de 23ste CARICOM-vergadering in Georgetown. In 2003 wist de regering van Guyana door middel van inzet van politie en het leger de rust te herstellen. Volgens sommigen in Guyana zou de regering daarbij gebruik hebben gemaakt van doodseskaders (zie tevens 3.1) , die de aanstichters van de onlusten uit de weg zouden hebben geruimd. Bewijs hiervoor ontbreekt vooralsnog. Zeker is echter dat het optreden van leger en politie met veel geweld gepaard is gegaan.
De stijgende handel in, en gebruik van drugs wordt als andere oorzaak voor het toenemende geweld gezien. De regering heeft in samenwerking met de Inter-American Drug Abuse Control Commission van de OAS een zogenaamd National Drugs Strategy Master Plan geformuleerd met vijf hoofdoelstellingen: voorraadreductie; vraagreductie; controlemaatregelen; institutionele herstructurering; en een evaluatiefunctie. Daarnaast is er een National Anti-Narcotic Commission ingesteld die de genoemde doelstellingen moet uitvoeren. Ondanks deze ambitieuze plannen om drugshandel en -gebruik te bestrijden, nemen beiden alleen maar toe. Vanwege de economische, politieke en maatschappelijke situatie en het onvermogen van Guyana om de drugs buiten de grenzen te houden, komt er veel cocane het land binnen. Er bestaat onvoldoende samenwerking en vertrouwen tussen de Customs Anti-Narcotics Unit (CANU) en de politie. Daarnaast wordt op grote schaal geld, afkomstig uit de drugshandel, wapen- en mensenhandel en corruptie en fraude, witgewassen. Door de politieke instabiliteit, de inefficinte regering, een interne veiligheidscrisis en een gebrek aan middelen kan Guyana deze situatie moeilijk onder controle brengen. Veel Indo-Guyanesen hebben bezwaar tegen de etnische samenstelling van politie en leger en achten hervormingen noodzakelijk. |