Extra informatie over Liberia
Algemeen
Liberia, in 1821 door de American Colonization Society gesticht voor uit de Verenigde Staten afkomstige vrijgelaten zwarte slaven, verwierf in 1847 onafhankelijkheid. Het is na Ethiopi de oudste onafhankelijke staat van Sub-Sahara Afrika. Het land werd nimmer gekoloniseerd. De vrijgelaten slaven die zich in Liberia hadden gevestigd, gingen als nieuwe elite het land besturen. Er bestond een grote kloof tussen deze Americo-Liberianen en de autochtone bevolking van het gebied.
In 1926 werd de eerste rubberplantage geopend. Belangrijke staatshoofden in de daarop volgende periode waren de presidenten William Tubman (1943-'71) en William Tolbert (1971-'80). Dankzij buitenlandse - voornamelijk Amerikaanse - investeringen in plantages en mijnbouw groeide de economie van het land. In de grote onderontwikkelde regio van de West-Afrikaanse kust vormde Liberia lange tijd een opvallende economische enclave. Aangezien de inkomsten vooral werden aangewend voor de instandhouding van de geprivilegieerde elite, bleef de ontwikkeling van het land als geheel uit. De oliecrises van de jaren zeventig deden voorts de ruilvoet van Liberia's exportproducten sterk verslechteren, met alle negatieve gevolgen van dien voor de economie.
Een staatsgreep bracht in 1980 Samuel Doe aan de macht. Het corps beroepsofficieren van de Armed Forces of Liberia (AFL) werd afgeschaft; de reeds bestaande politieke instabiliteit van het land nam toe en de positie van de regering verzwakte. De financile discipline verslapte steeds verder en economisch wanbeheer leidde tot kapitaalvlucht op grote schaal. Gecombineerd met toenemende etnische strijd verviel het land aan het eind van de jaren tachtig in een staat van burgeroorlog.
In 1989 viel Charles Taylor als leider van het National Patriotic Front of Liberia (NPFL) vanuit buurland Ivoorkust Liberia binnen. Na een burgeroorlog van acht jaar wist hij uiteindelijk via verkiezingen in 1997 president te worden. Bij de beindiging van de burgeroorlog speelde de Cease-fire Monitoring Group (ECOMOG) van de regionale organisatie Economic Community of West African States (ECOWAS) een cruciale rol.
Onder Taylor was er geen sprake van wederopbouw van het land. Hij regeerde als een dictator, waardoor oppositionele groepen weer naar de wapens grepen. De strijd breidde zich in 2002 en 2003 snel weer uit.
Vredesproces
De implementatie van het vredesakkoord verliep tussen augustus 2003 en november 2004 met horten en stoten. De internationaal gesteunde overgangsregering, genstalleerd op 14 oktober 2003 en geleid door zakenman Gyude Bryant, had te kampen met gebrekkige loyaliteit van regeringsleden, corruptie en een leiderschapscrisis binnen LURD. De regering slaagde er dan ook niet in in het gewenste tempo hervormingen door te voeren of het gezag in het hele land terug te winnen, waardoor de voormalige strijdende partijen in grote delen van het land nog de dienst uitmaakten. Bovendien werd nog gevreesd voor invloed van oud-president Taylor, die bij zijn vertrek naar Nigeria - waar hij sinds 11 augustus 2003 in ballingschap leeft - had aangegeven Liberia niet voorgoed te verlaten. Taylor is door het Speciale Hof in Sierra Leone aangeklaagd wegens oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid.
Na een periode zonder grote veiligheidscrises braken eind oktober 2004 in Monrovia en enkele andere steden ernstige onlusten uit, waarbij 16 personen om het leven kwamen en 208 gewonden vielen. Korte tijd later, in november 2004, ondertekenden LURD, MODEL en de strijders van de voormalige regering een overeenkomst waarmee ze zich ontbonden als gewapende groeperingen en werd het ontwapeningsproces van oud-strijders voltooid.
Op 11 oktober 2005 Op 11 oktober jl. vond in Liberia de eerste ronde plaats van de presidentile en parlementaire verkiezingen, de eerste vrije en democratische verkiezingen sinds het aantreden van de omstreden President Taylor in 1997 en de daarop volgende burgeroorlog. Na de eerste ronde bleek geen van de kandidaten de 50%-drempel te hebben gehaald en bleven twee kandidaten over voor de run off/tweede ronde. Ex-voetbalster George Weah behaalde het hoogste percentage stemmen in de eerste ronde, te weten 28%, terwijl voormalig Minister van Financin en ex-top IMF en Wereldbank-bureaucraat, Ellen Johnson-Sirleaf als tweede eindigde met 19% van de stemmen. De laatste wist de tweede ronde, gehouden op 8 november, echter enigszins verrassend en ruim in haar voordeel te beslechten met 59% van de stemmen, tegen Weah met 41% van de stemmen. De verkiezingen stonden onder streng toezicht van de VN-vredesmacht in Liberia, UNMIL en zijn volgens het oordeel van de diverse verkiezingswaarnemingsmissies vrij en eerlijk verlopen. Zo was ook de eindconclusie van de EU Election Observation Mission (EOM) voor wat betreft het verloop van beide ronden.
Staatsinrichting
De grondwet van 1986, aangepast in 1988, voorziet in een scheiding van de drie machten. De uitvoerende macht ligt bij de president en de vice-president. De president is staatshoofd, regeringsleider en opperbevelhebber van het leger, en wordt gekozen voor een periode van 6 jaar. De grondwet geeft geen maximum aan het aantal termijnen van de president. De wetgevende macht is in handen van het parlement, bestaande uit twee Kamers: het Huis van Afgevaardigden met 64 direct gekozen leden en de 30 leden tellende Senaat. De grondwet voorziet in een meerpartijenstelsel. Amendementen op de grondwet vereisen een tweederde meerderheid van beide Kamers.
Binnenlandse politiek
Het politieke klimaat in Liberia ontwikkelt zich sinds augustus 2003 voorzichtig in positieve richting. Met het gedwongen vertrek van Charles Taylor lijkt een opening te zijn geschapen uit de chaos van de afgelopen jaren. De binnenlandse politiek ontwikkelt zich langs de lijnen van het akkoord dat op 18 augustus 2004 in de Ghanese hoofdstad Accra werd gesloten. De overgangsregering beschikte noch over de capaciteiten noch over de politieke wil om het land efficint te besturen. De participerende partijen in de overgangsregering stelden hun eigen belangen boven het belang van het land, van een samenhangend beleid was geen sprake. Met berichten over hun ondoorzichtige handelswijze en corruptie bewezen leden van de overgangsregering en van het overgangsparlement geen dienst aan pogingen te komen tot herstel van het staatsgezag. Corruptie was ook de grootste zorg van de internationale donorgemeenschap t.a.v. de wederopbouw van Liberia. In september 2005 werd stevig onderhandeld tussen Chairman Bryant en de internationale gemeenschap over een voorstel voor een Governance Programme (GEMAP). Chairman Bryant weigerde akkoord te gaan met een sleutelelement van het programma, te weten de opname van een internationale Chief Administrator in de Centrale Bank van Liberia met (mede) tekenbevoegdheid, een belangrijke voorwaarde van de internationale gemeenschap voor ondersteuning van het programma. Bryant zei dit niet te kunnen verkopen aan de leden van de NTGL. De internationale gemeenschap beraadde zich op een bindende VN resolutie welke het GEMAP zou bekrachtigen, om de NTGL te dwingen het document te accepteren. Internationale invloed over de uitvoering van het goed bestuursprogramma was van meet af aan inzet van de discussie. Volgens Bryant had Liberia technische ondersteuning nodig, maar kon het wel zelf zijn financin regelen. Gezien de NTGLs prestaties op dit terrein had de internationale gemeenschap daar echter geen vertrouwen in. Aan deze ontransparante en malafide praktijken diende een einde gemaakt te worden met de presidentsverkiezing in oktober 2005. Deze verkiezingen verliepen vreedzaam en werden, weliswaar onder protest van de belangrijkste oppositiekandidaat George Weah, gewonnen door Ellen Johnson-Sirleaf. Johnson-Sirleaf geniet grote internationale erkenning en steun. Corruptie wordt nog steeds gezien als belangrijkste destabiliserende factor waar Liberia mee te kampen heeft. Johnson heeft aangekondigd een zero-tolerance beleid te zullen voeren ten opzichte van corruptie. Hiertoe ontsloeg zij na haar aantreden alle politiek benoemde ambtenaren van het ministerie van Financin. Haar andere prioriteiten liggen op het gebied van nationale verzoening, wederopbouw en rentegratie van de grote aantallen kindsoldaten in het land. De (nabije) toekomst zal uitwijzen hoe succesvol de nieuwe regering onder Johnson-Sirleaf is in het besturen en ontwikkelen van het land na jaren van anarchie en geweld.
UNMIL
In oktober 2003 startte de ontplooiing van de VN-vredesmacht voor Liberia, de UN Mission in Liberia (UNMIL). UNMIL is een zg. gentegreerde missie, d.w.z. dat de vredesmacht en de VN-organisaties die de hulp verzorgen (civiele component) onder n overstijgend mandaat vallen. De cordinatie tussen beide componenten is overigens vanaf het begin problematisch geweest. In september 2004 is de ontplooiing van de ongeveer 15.000 VN-soldaten voltooid en UNMIL is daarmee de grootste VN-missie ter wereld. Deze heeft o.a. als cruciale taak de ontwapening, demobilisatie en rentegratie van ex-strijders te begeleiden. Eind november 2004 werd het ontwapeningsproces, dat van start ging in december 2003 en na een pauze weer vanaf 15 april 2004, zo goed als voltooid. Volgens cijfers van de VN hebben 101.495 personen aan het proces deelgenomen. In deze periode werden bij de ontwapeningscentra echter slechts 28.314 functionerende wapens ingeleverd. Onder de personen die zich meldden voor het DDRR (Disarmement, Demobilisation, Reintegration and Rehabilitation)-proces bevonden zich ruim 22.370 vrouwen, 8523 jongens en 2440 meisjes onder de achttien jaar. Alleen de demobilisatie van de strijders van Armed Forces of Liberia (AFL) is nog gaande. Er bestaan nog immer zorgen t.a.v. niet ingeleverde wapens. Het vermoeden is dat aanzienlijke aantallen nog steeds in omloop zijn. Een andere zorg is, mede met het oog op de wederopbouw van het land onder Johnson-Sirleaf, het feit dat 40,000 ex-strijders nog niet zijn gerentegreerd d.m.v. rentegratieprogrammas die ex-strijders o.a. in staat dienen te stellen op andere wijzen (dan deelname aan gewapende groepen) in hun levensonderhoud te voorzien. De middelen en de planning van de rentegratie en rehabilitatie (RR) van de strijders zijn ondermaats, waardoor dit onderdeel vooralsnog niet goed van de grond komt.
Charles Taylor
Internationale NGOs schetsten in mei 2005 een beeld van voortdurende inmenging in Liberiaanse zaken door Taylor, die in Nigeria in ballingschap leeft. Zo zou Taylor ten minste negen van de politieke partijen die meededen aan de verkiezingen in oktober 2005 financieel ondersteund hebben. Door politici te steunen zou Taylor de bereidheid van Liberias aanstaande leider om hem te (laten) berechten trachten te verkleinen. Bovengenoemde activiteiten van Taylor druisen in tegen de voorwaarden die destijds zijn verbonden aan diens ballingschap in Nigeria. De Nigeriaanse president Obasanjo stelt echter zich niet bewust te zijn van onbetamelijkheden in Taylors gedrag en ziet geen reden Taylor uit te leveren aan het Speciale Hof in Sierra Leone. Obasanjo heeft aangegeven slechts bereid te zijn Taylor uit te leveren aan Liberia. Gedurende de verslagperiode is Nigeria echter onder groeiende internationale druk komen te staan Taylor over te dragen aan het Hof. Hoewel Johnson-Sirleaf heeft toegezegd om uitlevering van Taylor te zullen vragen, is ook duidelijk dat andere beleidsterreinen, gericht op het creren van draagvlak voor haar leiderschap, prioriteit krijgen. |