Extra informatie over Palestijnse gebieden
Algemeen
De Britse Balfour-declaratie van 1917 omvatte de belofte van een nationaal tehuis voor het Joodse volk in het Brits mandaatgebied Palestina. Hierop nam de immigratie van joden naar het gebied gestaag toe, hetgeen leidde tot toenemende spanningen tussen de Joodse en lokale Palestijnse bevolking. In 1947 nam de Veiligheidsraad resolutie 181 (VN-verdelingsplan) aan, waarin werd aanbevolen een onafhankelijke Arabische en een Joodse staat te stichten, evenals een speciale internationale regeling voor Jeruzalem te maken. In 1948 werd de onafhankelijke staat Isral uitgeroepen, waarna de eerste Arabisch-Isralische oorlog uitbrak. Als gevolg hiervan ontvluchtten 750.000 Palestijnen hun woongebied. Zij werden vervolgens ondergebracht in door de Verenigde Naties beheerde kampen in de regio. In 1964 werd tijdens een bijeenkomst van de Arabische Liga de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) opgericht.
De Zesdaagse Oorlog van 1967 leidde tot de bezetting door Isral van onder andere de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en Oost-Jeruzalem. De oorlog leidde tot een half miljoen nieuwe vluchtelingen en de Veiligheidsraad nam resolutie 242 aan, waarin werd opgeroepen tot een Isralische terugtrekking uit de Bezette Gebieden en erkenning van het bestaansrecht van alle staten in de regio. De Jom Kippoer-oorlog van 1973 leidde tot VR-resolutie 338, waarin werd opgeroepen tot een staakt-het-vuren en tot de onmiddellijke naleving van resolutie 242. De PLO had inmiddels gekozen voor een guerrillaoorlog tegen Isral, onder meer vanuit haar bases in Libanon. Hier kwam een einde aan toen Isral in 1982 Zuid-Libanon binnenviel en de PLO dwong het land te verlaten. Het hoofdkwartier van de organisatie werd verplaatst naar Tunis. De gevoelens van wanhoop en frustratie leidden in 1987 in de Bezette Gebieden tot een volksopstand, de Intifada.
Geheime onderhandelingen tussen de PLO en Isral leidden in september 1993 tot de ondertekening van de 'Declaration of Principles' (Oslo-I) die een beperkte vorm van Palestijns zelfbestuur mogelijk maakte in de Gazastrook en Jericho. Op 4 mei 1994 werd krachtens het Kairo-verdrag de Palestijnse Autoriteit (PA) opgericht. Twee maanden later begon Yasser Arafat zijn werkzaamheden als hoofd van de Palestijnse Autoriteit. Het Palestijns-Isralisch 'Interim-akkoord' (Oslo-II) van september 1995 regelde een verdere uitbreiding van de Palestijnse autonomie, het houden van Palestijnse verkiezingen en terugtrekking van het Isralische leger uit steden in de Westelijke Jordaanoever. De onderhandelingen verliepen echter vanaf 1996 steeds moeizamer, nadat de leider van de rechtse Likoed-partij Benjamin Netanyahu premier van Isral werd. De resultaten beperkten zich tot het 'Hebron-akkoord' (1997) die een gedeeltelijke Isralische terugtrekking uit een deel van Hebron regelde en de ondertekening van het 'Wye Memorandum' in oktober 1998. De implementatie van het Wye-Memorandum stagneerde enkele maanden later.
Op 4 september 1999 ondertekenden de Israeli's en Palestijnen het 'Sharm Al-Sheikh Akkoord', waarin nadere afspraken werden gemaakt over de uitvoering van het 'Wye-River'-Memorandum. Eveneens is overeengekomen te streven naar een akkoord over een Framework Agreement on all permanent Status Issues. Ook droeg Isral delen van de Westelijke Jordaanoever over aan de Palestijnse Autoriteit. Officieel heeft de PA sindsdien de volledige of gedeeltelijke controle over circa 37% van de Westelijke Jordaanoever en 60% van de Gazastrook.
Om de impasse te doorbreken trachtten Arafat en de toenmalig Isralische premier Ehud Barak onder leiding van Bill Clinton van 11 tot 25 augustus 2000 in Camp David een doorbraak te forceren in de vredesonderhandelingen. Hoewel de betrokken partijen niet tot een alomvattend akkoord zijn gekomen, werd er op deelonderwerpen betreffende de permanente status wel vooruitgang geboekt. Ook is er voor het eerst daadwerkelijk onderhandeld over de gevoelige onderwerpen als de status van Jeruzalem, de Palestijnse vluchtelingen, de onderlinge grenzen en de toekomst van de nederzettingen. Met name Jeruzalem en de nederzettingenproblematiek bleven voorlopig echter onoverkomelijke problemen opleveren.
Ondanks het feit dat de aanvankelijk overeengekomen datum voor het bereiken van een akkoord (13 september 2000) niet werd gehaald, besloot de PA te wachten met het uitroepen van eigen staat, teneinde de kansen op een succesvol resultaat van de lopende vredesonderhandelingen intact te houden. Het uitblijven van een akkoord leidde echter tot grote frustratie onder de Palestijnen. Een, door de Palestijnse bevolking als provocerend opgevat, bezoek van de toenmalige oppositieleider Ariel Sharon (Likoed) aan de Tempelberg (tevens de Al-Aqsa moskee) in Jeruzalem luidde vervolgens het begin van een hernieuwde Palestijnse opstand in.
Deze zgn. Al-Aqsa intifada heeft geleid tot hoge aantallen doden en gewonden aan beide zijden (408 Isralis en 2715 Palestijnen). Palestijnse zelfmoordacties en (bom)aanslagen op Isralische soldaten en burgers werden afgewisseld door hard Isralisch optreden tegen de Palestijnen: buitengerechtelijke dodingen, het instellen van uitgaansverboden, het afsluiten van steden en gebieden, en vernieling van huizen, infrastructuur en boomgaarden. Ook begon Isral in 2002 met de bouw van de veiligheidsbarrire grotendeels ten oosten van de bestandslijn van 1967 (de Groene Lijn). Isral beoogt hiermee Palestijns terrorisme tegen te gaan. Het aantal Palestijnse aanslagen is inderdaad sterk gedaald. Hier zijn echter meerdere oorzaken voor aan te wijzen. Door de bouw van de veiligheidsbarrire komt naar schatting 9 % van de Westelijke Jordaanoever aan de andere kant van de muur te liggen (waarin 8 dorpen met ongeveer 11.000 inwoners); de landbouwgrond in dit gebied is voor de Palestijnse eigenaren nauwelijks meer bereikbaar. Dit alles heeft uiteraard humanitaire consequentie. De totstandkoming van een onafhankelijke, levensvatbare, Palestijnse staat komt door de bouw van de veiligheidsbarrire en het voortgaande nederzettingenbeleid in gevaar. Het Internationaal Gerechtshof heeft zich op 9 juli 2004 in een Advies uitgesproken over de bouw van de veiligheidsbarrire. Het Gerechtshof concludeerde dat de bouw van de veiligheidsbarrire op bezet Palestijns gebied en in Oost-Jeruzalem in strijd is met het internationale recht. De uitspraak van het Hof is echter niet bindend. Isral, gesteund door de Verenigde Staten, heeft de uitspraak van het Hof naast zich neergelegd. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft op 20 juli 2004 een resolutie aangenomen, waarin Isral wordt aangemaand zich te houden aan de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof.
Een kentering in de uitzichtloze situatie was de speech van de Amerikaanse President Bush op 24 juni 2002, waarin de VS zich voor het eerst vierkant achter een twee-staten oplossing schaarde. Nu in de internationale gemeenschap brede consensus leek te bestaan over de contouren van de finale status parameters was het zaak een mechanisme te bedenken om de partijen terug naar de onderhandelingstafel te brengen. De EU ontwikkelde hierop de zgn. road map, een stappenplan, dat na interne discussies op 20 december 2002 door het Kwartet (een ad hoc samenwerkingsverband tussen de VS, VN, EU en de Russische Federatie) werd aanvaard. Door de val van het Isralische kabinet en de Irak-crisis werd de road map echter niet direct gepresenteerd aan de partijen. Dit gebeurde op 30 april 2003, nadat de nieuw benoemde Palestijnse premier Mahmoud Abbas was genstalleerd. Op 23 mei 2003 maakte de Isralische minister president bekend, dat Isral de road map, onder bepaalde voorwaarden, heeft aanvaard. De Palestijnen aanvaardden de road map zonder enige condities. De Veiligheidsraad verleende in resolutie 1515 van 19 november 2003 zijn goedkeuring aan de road map en maande partijen aan zich te houden aan hun verplichtingen, voortvloeiend uit de road map. De tekst van de road map is te vinden op de VN-site. Het doel van de road map is het realiseren van twee onafhankelijke staten, levend zij aan zij, in vrede en veiligheid. Dit kan uitsluitend gerealiseerd worden wanneer beide partijen goede wil tonen en zich aan bepaalde afspraken houden. Aan de kant van de Palestijnen houdt dit in dat, onder leiding van een besluitvaardige leider, er zo spoedig mogelijk een eind dient te komen aan de terreur. De Isralische zijde dient bereid te zijn, alle nodige maatregelen te treffen die randvoorwaarden zijn voor het vestigen van de democratische en onafhankelijke Palestijnse staat. Om de implementatie van de road map te begeleiden zal het Kwartet op termijn een verificatiemechanisme in het leven roepen. Het succes van de road map hangt evenwel in de eerste plaats af van de inspanningen van Isralis en Palestijnen. Tot nu toe zijn echter weinig van de stappen gemplementeerd.
Op 14 april 2004 verleende president Bush zijn goedkeuring aan het disengagement plan of het terugtrekkingsplan uit de Gazastrook van premier Sharon. Met dit plan wil premier Sharon de nederzettingen in de Gazastrook ontmantelen in 2005 en vier nederzettingen in het noordelijk deel van de Westelijke Jordaanoever. De EU heeft in de conclusies van de Raad van de Europese Unie van 25 en 26 maart dit plan verwelkomd, mits het voldoet aan de volgende voorwaarden:
* het plan is geplaatst in de context van de Road Map;
* het is een stap in de richting van de Twee-Statenoplossing;
* er is geen sprake van verplaatsing van nederzettingen naar de Westelijke Jordaanoever;
* er is sprake van een georganiseerde en onderhandelde overdracht van bevoegdheden aan de Palestijnse Autoriteiten;
* Isral faciliteert herstel en wederopbouw van de Gazastrook.
Ook het Kwartet heeft in een bijeenkomst op 4 mei 2004 het terugtrekkingsplan van Sharon verwelkomd.
Het geweld in de Palestijnse Gebieden duurde voort. De Palestijnse zelfmoordaanslagen tegen Isralische burgers zijn een ernstige schending van het internationale recht. Het aantal Palestijnse zelfmoordaanslagen van januari tot en met augustus 2004 was 11. In zijn gemeenschappelijk standpunt van 27 december 2001 (2001/931/GBVB) heeft de Raad van de Europese Unie, maatregelen ter bestrijding van terrorisme getroffen. Hierbij wordt bevel gegeven tot bevriezing van de tegoeden, financile activa of andere economische middelen van terroristische personen, groepen en entiteiten. In het gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 12 december 2002 (2002/976/GBVB), is een lijst opgenomen van personen, groepen en entiteiten voor wie deze maatregel geldt. Hiertoe behoren onder andere de Palestijnse Al-Aqsa Martelarenbrigades, Hamas en de daarbij behorende terroristische tak Hamas-Izz al-Din al-Qassem, het Palestijns Bevrijdingsfront, de Palestijnse Islamitische Jihad, het Volksfront voor de bevrijding van Palestina en het Volksfront voor de bevrijding van Palestina-Algemeen Commando.
Sinds 2000 is de Isralische regering begonnen met het uitschakelen van Palestijnse leiders en is het leger een strategische oorlog tegen Hamas begonnen, waarbij in maart 2004 oprichter en geestelijk leider, Sheikh Ammed Yassin, werd vermoord. Een maand later werd ook zijn opvolger, Abdel Aziz al-Rantissi, getroffen door een doelgerichte raketaanval vanuit een Isralische helikopter. Zowel de VN als de EU noemden deze liquidaties onwettig en riepen Isral op deze buitengerechtelijke dodingen direct te staken.
In mei 2004 lanceerde het Isralische leger een grootschalig militair offensief in de Gazastrook. Vooral Rafah dat zich aan Isralische grens bevindt, moest het ontgelden. Volgens het Isralische leger bevinden zich onder de huizen in Rafah smokkeltunnels, waarlangs wapens vanuit Egypte worden gesmokkeld. Op 19 mei 2004 nam de Veiligheidsraad resolutie 1544 aan, waarin de doding van Palestijnse burgers in Rafah en omstreken, werd veroordeeld. Tevens uitte de Veiligheidsraad zijn ernstige zorg over de huizenvernielingen door Isral in die regio.
Staatsinrichting
Op 20 januari 1996 ging de Palestijnse bevolking voor het eerst naar de stembus voor de samenstelling van de Palestijnse Wetgevende Raad (PLC) en de keuze van de president.. PLO-leider Arafat werd gekozen tot president van de Palestijnse Autoriteit (PA) . Na diens overlijden op 11 november 2004 werden conform de Palestijnse wet - nieuwe presidentsverkiezingen uitgeschreven voor 9 januari 2005. De 1,8 miljoen kiesgerechtigde Palestijnen kozen met een meerderheid van ruim 60% Mahmoud Abbas (Abu Mazen) tot opvolger van Yasser Arafat. De belangrijkste tegenstrever van Abbas, Mustafa Barghouthi, eindigde met ongeveer 20% van de stemmen als tweede. De kiezersopkomst lag afhankelijk van de gebruikte rekenmethode- tussen de 45% en 60%. Het verkiezingsproces werd waargenomen door enkele duizenden nationale en internationale waarnemers, waaronder een omvangrijke EU-missie. Gelet op de omstandigheden kan gesteld worden dat de verkiezingen bevredigend zijn verlopen. Er hebben zich geen gewelddadigheden voorgedaan en het stemmen verliep grotendeels op een ordelijke wijze.
Problemen bij het stemmen deden zich wel voor in Jeruzalem en er was kritiek op het besluit van de Palestijnse kiescommissie de openingstijden van de stembureaus op het laatste moment te verlengen, waardoor veel aan Fatah gelieerde politie- en veiligheidsfunctionarissen alsnog konden stemmen. Dit had echter geen gevolgen voor de uitkomst van de verkiezingen.
Verkiezingen voor de Palestijnse wetgevende raad (PLC) zijn voorzien voor 17 juli a.s. Lokale verkiezingen vinden stapsgewijs plaats: in een aantal gemeenten in de Westelijke Jordaanoever op 23 december 2004 en in Gaza op 27 januari 2005. De overige data zijn nog niet bekend. De verkiezingen zijn tot dusverre goed verlopen, alhoewel er internationale kritiek is op de onafhankelijkheid van de kiescommissie voor lokale verkiezingen en de totstandkoming van het kiesregister.
In maart 2003 werd de functie van premier gecreerd. De premier wordt voorgedragen door de president en dient, met het door hem geformeerde kabinet, te worden bekrachtigd door de PLC. De eerste premier, Mahmoud Abbas (alias Abu Mazen) werd met zijn kabinet bekrachtigd op 30 april 2003. Sinds 12 november 2003 is Achmed Qurei (Abu Ala) premier. De premier heeft ruime bevoegdheden. De vredesonderhandelingen met Isral en de externe veiligheid blijven echter het terrein van de president. De internationale gemeenschap heeft steeds aangedrongen op grotere bevoegdheden van de premier en de minister van binnenlandse zaken op het terrein van veiligheid.
Bij wijze van tijdelijke grondwet functioneert de zogenaamde Basic Law die in 2002 in werking trad en in maart 2003 werd geamendeerd om de functie van premier op te nemen. Discussies over een definitieve Palestijnse grondwet zijn vergevorderd.
Sinds het voorjaar van 2002 hebben Palestijnse hervormingen gestage voortgang geboekt. Het Palestijnse proces wordt begeleid door de International Task Force on Palestinian Reform die regelmatig bijeenkomt om de voortgang van het proces te evalueren en obstakels te identificeren. De hervormingen zijn onderverdeeld in 7 themas: financin, justitie, verkiezingen, bestuurlijke hervorming, economie, lokaal bestuur en maatschappelijke organisaties. De voortgang varieert per thema; de meest positieve ontwikkeling zijn te melden op het financile en economische vlak, terwijl de justitile hervormingen achterblijven. Na het overlijden van Arafat heeft het hervormingsproces een nieuwe impuls gekregen.
Binnenlandse politiek
Al-Fatah, de partij van Arafat, is de grootste en invloedrijkste politieke groepering in de Palestijnse Gebieden. De partij is vooral populair gebleken bij verkiezingen voor universiteitsraden, Kamers van Koophandel en de vakbonden. Hamas heeft zich gekeerd tegen de instelling van de premiersfunctie en tegen de road map. De Islamitische Jihad is de derde politieke machtsfactor in de Palestijnse Gebieden en kent net als Hamas een politieke en een gewapende vleugel. Veel aanslagen op Isralische doelen zijn opgeist door deze militante groepen. Ook sommige aanhangers van Al-Fatah hebben inmiddels gekozen voor geweldsmiddelen om hun (politieke) doelen te verwezenlijken. Verder spelen nog enkele kleine partijen en onafhankelijken een niet meer dan marginale rol in de Palestijnse politiek. |