Extra informatie over Suriname
Algemeen
Het landschap van Suriname is te verdelen in drie delen die van zuid naar noord lopen:
1. Het bergland van Suriname beslaat ruim 80% van de oppervlakte en is een onderdeel van het hoogland van Guyana. In tegenstelling tot de situatie in Guyana is binnen de grenzen van Suriname van de zandsteenbedekking vrijwel niets overgebleven. Door verwering is in het bergland een bovenlaag ontstaan van sterk wisselende dikte. In het zuiden strekken zich van west naar oost het Acaragebergte, het Grensgebergte en het Toemoek-Hoemakgebergte uit. Laatstgenoemde keten vormt de waterscheiding tussen de naar de oceaan in het noorden en de naar het zuiden (Amazone) stromende rivieren. De gebergten van het midden van Suriname vormen in het algemeen de waterscheidingen tussen de grote rivieren. De hoogste bergen zijn de Julianatop (1280 m) en de Tafelberg (1080 m) in het Wilhelminagebergte.
2. Ten noorden van het bergland strekt zich een laag en golvend landschap uit , dat voor het merendeel bestaat uit zuivere kwartszanden die sterk waterdoorlatend en onvruchtbaar zijn. Vernieling van het oerwoud heeft als gevolg gehad dat hier een echte savanne is ontstaan. De overgang van oerwoud aar savanne is meestal geleidelijk.
3. De kustvlakte van Suriname bestaat uit een zuidelijk deel. Daar is de verwering erg intensief geweest. Hierdoor zijn bijna alle mineralen opgelost en is er bauxiet ontstaan. Het noordelijk deel bestaat uit jongere afzettingen die ontstaan zijn door de samenwerking van de rivieren en de zee. Door de rivieren aangevoerde en van de zeebodem afkomstige zanden vormden met schelpen uit zee strandwallen. In de lagunen daartussen werd slib afgezet. Zo ontstonden moerassen. Door inpoldering zijn hier in de 17de en 18de eeuw plantages ontstaan die later weer zijn verlaten. De eigenlijke kust is een brede modderplaat, hierdoor ontbreken zandstranden helemaal. De kust van Suriname krijgt grote hoeveelheden slib te verwerken afkomstig van de Amazone. De aanslibbing bevorderd de groei van mangroven en parwawouden. Tussen de wortels wordt slib vastgehouden. Hierdoor komen de mondingen van de kleinere rivieren steeds verder naar het westen te liggen.
Rivieren van Suriname
De afwatering gaat via een aantal parallel lopende van zuid naar noord stromende rivieren.
De grootste rivieren van Suriname zijn de Corantijn en de Marowijne. In beide rivieren komen talrijke eilanden voor en aan de monding is de breedte ongeveer 10 km.
De andere grote rivieren zijn de Coppename, de Saramacca en de Suriname (rivier). Kleinere rivieren zijn o.a. de Nickerie, de Commewijne en de Cottica. Alle rivieren zijn in de lage kuststreek goed te bevaren. Verder stroomopwaarts en op de kleine rivieren kan men gebruik maken van de grote stuwende werking van de vloed. De waterafvoer is zeer groot. In de regentijd overstromen de rivieren de moerasgebieden. Alle rivieren hebben bij de overgang van het bergland naar de savanne stroomversnellingen.
Klimaat
Suriname heeft voor het grootste deel een tropisch regenwoudklimaat. De droogste maanden zijn in het algemeen september en oktober. Suriname heeft een dubbele regentijd. In januari regent het flink, maar van april tot en met juli is de grote regentijd. Aan het eind van de regentijden komen soms hevige buien voor.
De gemiddelde temperatuur is in Paramaribo 27,3 graden Celsius. De gemiddelde dagelijkse maximumtemperatuur is het hoogst in oktober en het laagst in januari. De gemiddelde minimumtemperatuur bedraagt het gehele jaar door ongeveer 23 graden.
De relatieve vochtigheid bedraagt gemiddeld 80%. De winden waaien overheersend uit oostelijke richtingen en zijn over het algemeen zwak met snelheden van tussen de een en twee meter per seconde. Het klimaat in het binnenland wijkt weinig af, in het algemeen is de neerslag er hoger.
Kort samengevat kent Suriname vier seizoenen:
De kleine regentijd, de eerste helft van december tot de tweede helft van januari.
De kleine droge tijd, de tweede helft van januari tot de tweede helft van maart.
De grote regentijd, de tweede helft van maart tot de eerste helft van augustus.
De grote droge tijd, de tweede helft van augustus tot de eerste helft van december.
Planten en dieren
Planten
Suriname heeft een tropische plantengroei. De vegetatie heeft grote verwantschap met die van de aangrenzende Guyana's en met het Amazonegebied.
Het aantal soorten planten bedraagt ongeveer 5000. Voor een gebied van deze omvang en zonder hoge bergen is dat vrij veel. Enkele veel voorkomende soorten zijn de Vlinderbloemenfamilie, Walstrofamilie, Wolfsmelkfamilie, Palmen en verder Grassen, Bromelia`s, Cactussen en prachtige Orchideen.
Kenmerkend voor Suriname is het kustbos dat bestaat uit mangrove (vloedbos), met voornamelijk de Parwa.
Dieren
De dierenwereld is van een tropisch Zuid-Amerikaans karakter en omvat in hoofdzaak de fauna van het tropisch regenwoud. De dierenwereld is nog vol verrassingen. De zoogdieren omvatten ongeveer 140 soorten, waaronder 8 soorten apen (o.a. brulapen en kapucijnerapen) en 14 soorten roofdieren (o.a. jaguar en poema). De vleermuizen zijn met 65 soorten goed vertegenwoordigd (o.a. de bloedzuigende vampiers). Verder zijn er drie soorten miereneters, twee soorten luiaards en vijf soorten gordeldieren (waaronder het reuzengordeldier).
Tevens zijn er de Zuid-Amerikaanse tapir en drie soorten herten. Voor de kust en in de riviermonden komt een zeekoeiesoort voor. De vogelwereld is zeer rijk en omvat meer dan 600 soorten. De trekvogels (vnl. steltlopers uit het noorden) omvatten ten minste 60 soorten. Typische vogels zijn o.a. de rode ibis, de zwarte gier, toekans en papegaaien. Amfibie en reptielen zijn in groten getale bekend geworden (wormsalamanders, Surinaamse pad, pijlgifkikkers, kaaimannen, kamhagedis of leguaan, boa constrictor, anaconda, bosmeester en ratelslangen onder de gifslangen, en zee-, water- en landschildpadden). De vissen omvatten in het zoete water tal van bekende aquariumvissen (karperzalmen en al of niet levendbarende tandkarpers); vooral meervalachtige zijn rijkelijk voorhanden. Speciale vermelding verdienen de piranha's, sidderaal, pijlstaartrog, vieroogvissen en de cichliden. Lagere dieren zijn o.a. vertegenwoordigd door reuzenduizendpoten, vogelspinnen, tot meer dan 13 cm lang wordende landslakken en een ontelbare insectenwereld, waaronder beroemde vlinders als Morpho en de merkwaardige lantaarndrager onder de cicadenachtige wantsen. De kust en het goeddeels modderige continentale plat huisvesten een tropisch Caribische fauna, met o.a. commercieel belangrijke vissen en kreeftachtigen. Talloze dieren worden gejaagd en gegeten, vooral apen, knaagdieren en hoefdieren; zeeschildpadeieren zijn eveneens zeer in trek. De jacht is voldoende gereguleerd, maar in de praktijk blijkt het moeilijk de besluiten toe te passen; stroperij is aan de orde van de dag en in delen van het binnenland is een aantal bepalingen niet van toepassing. Zeeschildpadden en hun legsels worden beschermd door een gemengd systeem van reservaten, quota en verboden. De natuurbescherming behoort daarmee tot de beste in Zuid-Amerika. In negen reservaten verspreid door het land worden fauna en flora redelijk tot goed beschermd. Op basis van deze gebieden is een bescheiden natuurtoerisme ontstaan; de bekendste van deze gebieden zijn stranden waar zeeschildpadden nestelen, het Raleighvallen-Voltzbergreservaat, de Tafelberg, de Sipaliwinisavanne en de Brownsberg. De Aziatische mungo (een mangoest) werd in het begin van deze eeuw ingevoerd ter bestrijding van ratten en de bosmeester (een gifslang); de verspreiding bleef tot op heden beperkt. |