Extra informatie over Verenigde staten
Algemeen
Verenigde Staten Witte Huis De Verenigde Staten van Amerika (officieel: United States of America), is een federale republiek in Noord-Amerika, en omvat het District of Columbia en 50 staten, waarvan 49 op het vasteland van Noord-Amerika en n (Hawa) in de Stille Oceaan. De totale landoppervlakte van de Verenigde Staten bedraagt 9.809.155 km2 (228x Nederland) en het is daarmee na Rusland en Canada het grootste land ter wereld.
De Verenigde Staten grenst in het noorden aan Canada (8.893 km, inclusief 2.477 km grens met Alaska), in het zuiden aan Mexico (3141 km), in het oosten aan de Atlantische Oceaan en in het westen aan de Stille Oceaan. De landgrens met Mexico wordt voor de helft gevormd door de Rio Grande. De afstand van New York naar Los Angeles bedraagt bijna 5000 kilometer.
Onder jurisdictie van de Verenigde Staten vallen: de Commonwealth of Puerto Rico (Porto Rico), de Virgin Islands, Guam, Amerikaans Samoa, een aantal kleine, vaak onbewoonde eilandjes in de Grote Oceaan, het Trust Territory of the Pacific Islands en de Commonwealth of the Northern Marianas (Noordelijke Marianen), in totaal ca. 11.155 km2.
Een deel van Californi in het zuidwesten ligt precies op de St. Andreas breuklijn. Hierdoor heerst er in dit gebied een verhoogd risico op aardbevingen.
Landschap
Verenigde Staten Grand Canyon Aan de oostkant van het Amerikaanse continent strekken zich de Appalachen uit van Atlanta tot Kaap Gasp in Canada. Dit gebergte bestaat in het oosten uit een laag plateau, de Piedmont, en een steil oprijzende bergrug, de Blue Ridge met in het zuiden Mount Mitchell (2037 meter) als hoogste punt. Het centrale gedeelte bestaat uit een aantal parallel lopende bergruggen waartussen brede dalen liggen, de Valley and Ridge Region. De westkant wordt door een hoge steile rand, de Alleghany Mountains, afgesloten.
Het vlakke centrale deel van de Verenigde Staten is onder invloed van de plooiing en de opheffing van de Rocky Mountains wel mee opgeheven maar nauwelijks geplooid. Daardoor is een landschap ontstaan van een overwegend vlak land dat trapsgewijs oploopt naar de voet van de Rocky Mountains. Er liggen gigantische prairies die zich uitstrekken van Ohio en Missouri in het oosten, via Illinois en Wisconson, Minnesota, Iowa en Noord-Missouri, en spreidt zich dan uit in Centraal-Texas, Oklahoma, Kansas en het oosten van Nebraska en Zuid- en Noord-Dakota. Het lage gedeelte ten westen van de Mississippi is vrijwel geheel veranderd in een landbouwgebied, de zogenaamde Corn Belt. Het hoge gedeelte is een droge steppe die aan de voet van de Rocky Mountains op ca. 1500 kilometer ligt. Grote rivieren als Missouri, Platte River en Arkansas hebben hierin brede dalen uitgeslepen. Deze grote vlakte wordt in de staten Missouri en Arkansas onderbroken door het Ozark Plateau, een voortzetting van de Appalachen.
De Golfkust is een groot aanslibbingsgebied dat zich voortzet in het schiereiland Florida. Langs de Atlantische kust zet zich deze zandige vlakte voort tot Cape Cod.
In het westen rijst de Cordillera 2000 meter uit boven de Great Plains. Dit enorme gebergte strekt zich uit van het uiterste noorden van het Amerikaanse continent, de zwaar vergletsjerde Brooks Range, tot de Sierra Madre del Sur in Mexico; in feite zet het zich ook nog voort in de Andesketen in Zuid-Amerika. De oostelijke keten van de Cordillera wordt gevormd door de Brooks Range, de Mackenzie Mountains, de Rocky Mountains en de Sierra Madre Oriental. Ten westen van deze keten ligt een aantal hoogvlakten. Hierdoor lopen aan aantal ruggen waardoor kleinere bekkens ontstaan, die in een aantal gevallen geen afvloeiing naar zee hebben, zodat zoutmeren, zoals Great Salt Lake, worden gevormd. De Great Plains liggen ten westen van de onzichtbare lijn die het Noord-Amerikaanse continent duidelijk in tween deelt: de 508 mm-neerslaglijn, een van de belangrijkste geografische scheidslijnen in de Verenigde Staten. Deze lijn, die bijna recht door het midden van het land van noord naar zuid loopt, scheidt het meer herbergzame oosten van het droge westen, dat in de regenschaduw van de Rocky Mountains ligt, met zijn onvoorspelbare en geringe neerslag, zijn gure klimaat en kleinere, meer verspreid wonende bevolking.
Het land tussen de Rocky Mountains en de Sierra Nevada in het westen is droog: de zon brandt er het grootste deel van het jaar, het kwik kan er tot boven de 50C in de schaduw stijgen, en zelfs tamelijk grote rivieren uit de bergen drogen snel op. In dit deel van het land ligt ook de bodem van de Verenigde Staten, Death Valley. Deze oude meerbodem, tegenwoordig een woestijn van meer dan 200 kilometer lengte, ligt 830 meter beneden zeeniveau.
De rivieren hebben in deze hoogvlakten enorme canyons uitgeslepen; beroemd is de Grand Canyon van de Colorado River. De Grand Canyon in Arizona is de diepste kloof ter wereld, 446 kilometer lang en gemiddeld 1,6 kilometer diep. In het westen wordt dit plateau afgesloten door een bergketen met een steile oostzijde en een minder steile westzijde: Alaska Range, St. Elias Mountains, Coast Range, Cascade Range, Sierra Nevada en Sierra Madre Occidental. In het noorden van het continent vormt deze keten een echte fjordenkust, waardoor vooral in Alaska grote gletsjers naar zee schuiven. Verder naar het zuiden ligt hiervoor nog een kustgebergte, in de Verenigde Staten een gesloten gebergte dat de Willamette Valley en de Valley of California afsluit. Nog verder naar het zuiden scheidt het de Golf van Californi van de Grote Oceaan.
Alaska, de 49e staat, is landschappelijk gezien een verhaal apart. Alaska bestaat uit ijs. Onder de ijs- en sneeuwlagen is de grond tot een diepte van 90 meter bevroren. Zelfs s zomers, als de zon praktisch niet ondergaat, ontdooit de bodem niet beneden een diepte van 60 centimeter. In het hoge noorden kan de temperatuur tot 40C onder nul dalen, in het zuiden zijn de winters wat draaglijker. In Centraal-Alaska ligt Mount McKinley, de hoogste berg van geheel Noord-Amerika met ca. 6200 meter. Buiten Alaska is Mount Whitney in Californi de hoogste berg met 4418 meter.
Ook Hawaii, de 50e staat, is niet met de andere staten te vergelijken. De acht grote en ongeveer honderd kleine eilanden zijn over een lengte van 2500 kilometer in de Stille Oceaan verspreid. Het eiland dat het dichtst bij de Amerikaanse kust ligt, ligt op ongeveer 3200 kilometer van San Francisco. Het grootste eiland is Hawaii en heeft vijf vulkanen waarvan er nog twee werken. De 4200 meter hoge krater van de Mauna Loa is de grootste actieve vulkaan ter wereld.
Op het vasteland zijn ook nog een aantal grote vulkanen actief zoals de Katmai (ALaska Range), Mount Rainier (Cascade Range), Mount Lassen en Mount Shasta (Sierra Nevada). De staat Alaska heeft ca. 70 werkende vulkanen. Elk jaar koem er ook ca. 5000 aard- en zeebevingen voor, waarvan sommige zeer zwaar. Op 27 maart 1964 kwam op 120 kilometer te zuidoosten van Anchorage een aardbeving voor van 9.2 op de schaal van Richter.
Rivieren en meren
Verenigde Staten Mississippi De waterhuishouding van de Verenigde Staten wordt in de eerste plaats bepaald door het relif. De belangrijkste stroomgebieden liggen in het centrale laagland.
Een belangrijk hydrografisch gebied vormen de grote meren op de grens van de Verenigde Staten en Canada. Met een totale oppervlakte van ca. 250.000 km2 is dit het grootste zoetwaterbekken van de wereld. De meren zijn onderling door rivieren verbonden en staan via de St. Lawrence River in verbinding met de zee. Het grootste hoogteverschil bestaat er tussen het Erie Meer en het Ontario Meer. Dit hoogteverschil wordt overwonnen door de Niagara Falls, watervallen die qua watermassa tot de grootste ter wereld gerekend kunnen worden. De hoogtes van de American Fall en de Canadian Fall zijn op zich niet zo spectaculair, respectievelijk 52 en 48 meter. In het Yosemite National Park een van s wereld hoogste watervallen, de Ribbon (491 meter).
Vanaf de oostrand van de Appalachen stroomt een aantal korte rivieren naar de Atlantische Oceaan. Het grootste stroomgebied van de Verenigde Staten is dat van de Mississippi. Het omvat het centrale laagland ten zuiden van de Grote Meren, de westzijde van de Appalachen en een groot deel van de oostzijde van de Rocky Mountains. De Mississippi ontspringt op de Mesabi Range en is vanaf de Anthony Fall bij Minneapolis bevaarbaar. Het verval is gering en na het opnemen van de Missouri en de Ohio gaat de rivier als een kilometers brede stroom met geweldige meanders naar de zee.
De Rio Grande, stromend door een van de droogste gebieden van de Great Plains, heeft grote betekenis voor de irrigatie. De rivieren van de westzijde van de Rocky Mountains gaan in vaak diepe canyons door de plateaus van het Grote Bekken. Meest bekend is natuurlijk de Grand Canyon, die uitgeslepen is door de rivier de Colorado.
Langste rivieren (* = gedeeltelijk door Canada stromend)
Missouri 4086 kilometer
Mississippi 3765 kilometer
Yukon* 3185 kilometer
Rio Grande 3057 kilometer
St.Lawrence* 3057 kilometer
Arkansas 2349 kilometer
Colorado 2333 kilometer
Atchafalaya 2285 kilometer
Ohio 2108 kilometer
Red River 2076 kilometer
Brazos 2060 kilometer
Columbia 1995 kilometer
Snake River 1673 kilometer
Platte River 1593 kilometer
Pecos 1490 kilometer
Canadian 1458 kilometer
Tennessee 1426 kilometer
Colorado 1329 kilometer
North Canadian 1287 kilometer
Mobile 1245 kilometer
Kansas 1195 kilometer
Kuskokwim 1165 kilometer
Yellowstone 1113 kilometer
Tanana 1060 kilometer
Milk 1006 kilometer
Quachita 973 kilometer
Hamilton 965 kilometer
Cimarron 965 kilometer
Klimaat
Verenigde Staten Heatwave Er zijn in de Verenigde Staten grote klimatologische verschillen. Van een poolklimaat in het noorden van Alaska tot een (sub)tropisch klimaat op Hawa en in Florida. Ook de regenval is ongelijkmatig verdeeld. Er zijn behoorlijk natte gebieden, zoals het noordwesten en het zuidoosten, terwijl de zuidoostelijke staten voor grote delen uit woestijn bestaan. Daarnaast heerst er in de Rocky's een duidelijk hooggebergte klimaat.
De noordoostelijke staten, samen New England genoemd, zijn Maine, New Hampshire, Vermont, Massachusetts, Rhode Island, Connecticut, Delaware, New Jersey, Maryland, het oostelijke deel van New York en Pennsylvania en het District of Columbia. Dit gedeelte van de Verenigde Staten kent over het algemeen een wisselvallig, vochtig landklimaat, met het gehele jaar door matige neerslaghoeveelheden.
Door de polaire invloed worden de winters naar het noorden toe steeds kouder en daar valt ook de meeste sneeuw. Hittegolven in de zomer kunnen de temperatuur enkele dagen opjagen naar wel 38C. Het weer is dan aan de kuststrook zeer onaangenaam door de gelijktijdige zeer hoge luchtvochtigheid. In de grote steden is het dan nog wat onaangenamer door de iets hogere temperaturen die daar gelden. In deze hele regio kan het zeer koud worden in de winter en zelfs nog in de lente, met veel sneeuwval in het noorden, met name in het Appalachen-gebergte.
Hoewel een van de regios met de minste zonneschijn, schijnt de zon vaker dan in bijvoorbeeld Noordwest-Europa. Dagelijkse zonuren variren van gemiddeld 4-5 uur in de winter tot 9-19 uur in de zomer. Sommige valleien in de Appalachen zijn vaak mistig door een combinatie van luchtverontreiniging en gewone mist.
De herfst duurt in dit gedeelte van de Verenigde Staten maar een paar weken, maar is wel wereldberoemd. Deze zogenaamde indian summer ontstaat als in het najaar de koude en polaire lucht uit Canada moeite heeft de nog aanwezige warme lucht te verdrijven. De koude lucht komt dan tot stilstand en er ontwikkelt zich een hogedrukgebied. De eerste dag van de indian summer is meestal vrij koud, maar de daaropvolgende dagen worden steeds warmer, tot zelfs temperaturen van 25C. De opgewarmde lucht blijft als het ware op de grond liggen, bedekt met een laag koude lucht. De eerste nachten met vorst zijn het sein voor de bomen om de voedseltoevoer naar hun bladeren te stoppen. Hierdoor stopt ook de aanmaak van groen chlorofylpigment, en worden de befaamde rode, buine en gele kleuren zichtbaar die de indian summer een spectaculair gezicht geven.
s Winters komen in het noordoosten van de Verenigde Staten de gevreesde blizzards voor. Dit zijn zware sneeuw- en ijzelstormen, gecombineerd met zeer lage temperaturen, die in korte tijd meters sneeuw met zich mee brengen.
Een enkele keer kan er in de zomer een restant van een tropische wervelstorm of hurriccane tot het noordoosten doordringen; de verwoestende kracht is dan al flink afgenomen.
Het midden-westen bestaat uit de volgend staten en regios: West-Pennsylvania, North Dakota, South Dakota, Minnesota, Wisconsin, Michigan, Nebraska, Iowa, Illinois, Ohio, Kansas, Missouri, Indiana en Kentucky. De noordelijke staten in het middenwesten hebben een duidelijk landklimaat met hete, korte zomers en lange, strenge winters.
s Winters valt er niet veel neerslag, meestal in de vorm van sneeuw. Langs de Canadese grens en de Grote Meren kunnen de winters zeer streng zijn met blizzards, die zeer koude lucht aanvoeren vanuit het arctische Canada. De zuidelijke staten van het middenwesten hebben een gematigder weerstype met lange, regenachtige zomers en zachte winters. Open luchten en overvloedige zonneschijn zijn typerend voor deze regio, ook s winters. Zonne-uren variren van 4-5 in de winter en 10-11 in de zomer.
Meer naar het westen, in de Great Plains, heerst een semi-aride klimaat met een gemiddelde neerslag van 254 tot 762 millimeter. Een sterke, droge wind (de chinook) waait vanaf de Rocky Mountains en benvloedt de weersgesteldheid in het westelijk deel van de Great Plains. Dit gebied kent grote verschillen in temperatuur vanwege de koude lucht die wordt ingevoerd vanaf de Noordpool en warme tropische invloeden vanuit de Golf van Mexico. De gemiddelde dagtemperatuur in Iowa loopt van -11C in januari to 30C in juli.
De zuidelijke staten en de staten die grenzen aan de Golf van Mexico zijn Oklahoma, Arkansas, Tennessee, Texas, Louisiana, Mississippi en Alabama. Dit grote gebied ligt grofweg ten zuiden van de 37e graad noorderbreedte tussen de Rocky Mountains en de Appalachen.
Het klimaat lijkt in al deze staten vrij veel op het klimaat in het midden-westen; maar door de zuidelijke ligging en onder invloed van warme lucht van de Atlantische Oceaan en de Golf van Mexico zijn de winters warmer en korter dan in het noorden. Af en toe dringt er poollucht binnen maar dat duurt nooit langer dan enkele dagen.
In het westen van Texas komen vaker koude periodes voor. Het oostelijke deel van deze regio is veel natter dan de westelijke. De jaarlijkse neerslaghoeveelheid ligt in het oosten bijna overal tussen de 1000 en 1250 mm. In het westen bedraagt de neerslag tussen de 350 en 500 mm. De zomer is over het algemeen het natste seizoen met veel onweersbuien.
Er heerst in de hele regio een zonnig klimaat, met name het westen van Texas en Oklahoma (gemiddeld 5-6 uur per dag in de winter en 10-11 uur in de zomer). De zomerhitte is goed te verdragen, behalve langs de Golf van Mexico, waar de combinatie van hitte en hoge luchtvochtigheid onaangenaam aanvoelt. Deze regio wordt in de nazomer vaak getroffen door hurricanes en tornados.
De Rocky Mountains-staten zijn Montana, Idaho, Wyoming, Nevada, Utah, Colorado, Arizona, New Mexico en West-Texas. Over het algemeen hebben de noordelijke staten Idaho, Montana en Wyoming een veel koeler klimaat in zowel de winter als de zomer, een veel langer koud seizoen en er valt meer neerslag.
In deze hele regio zijn echter grote verschillen waar te nemen vanwege de hoogte, waardoor er koude gebieden zijn in het zuiden en droge gebieden in het noorden. Het grootste deel van deze regio valt weinig neerslag, met name in het zuiden waar grote delen van Arizona, New Mexico, Utah en Colorado bestaan uit woestijnen of semi-woestijnen met neerslaghoeveelheden beneden de 300 mm per jaar. Dit komt door de westelijke berggebieden van Californi, waardoor regenwolken dit gebied niet kunnen bereiken.
Het zuidelijke deel van dit gebied heeft het zonnigste klimaat van de Verenigde Staten; Phoenix en Las Vegas hebben per dag ca. 8 zonuren in de wintermaanden en 12-14 uren in de zomermaanden. De hoge temperaturen in het hele gebied worden getemperd door de lage luchtvochtigheid.
Het noordwesten van de Verenigde Staten bestaat uit de staten Washington, Oregon en West-Idaho. Het klimaat in deze regio lijkt veel op dat van Noordwest-Europa en Groot-Brittanni.
In deze staten liggen hoge bergen van de Westelijke Cordillera, waar eeuwige sneeuw ligt. Het klimaat komt hier meer overeen met dat van de noordelijke Rocky Mountains. De kustdistricten hebben de geringste verschillen in winter- en zomertemperatuur. Verder is het hier vaak bewolkt en daardoor de minst zonnige regio van de Verenigde Staten met veel regendagen. Sommige berggebieden zijn erg nat met 2500-3000 mm per jaar. Dit in tegenstelling tot sommige beschutte valleien waar maar ca. 300 mm per jaar valt. Het is ook de enige regio van het land waar de winter het natste seizoen is, maar ook de zomer kent geen lange aangesloten droge periodes.
Het aantal zonuren in de winter bedraagt 2-3 uur per dag en 9-10 in de zomer aan de kust. Meer naar het binnenland en in hogere gedeeltes zijn de winters wat zonniger met 5-6 uren zonneschijn per dag.
Californi heeft een klimaat dat lijkt op het mediterrane klimaat, maar door de uitgestrektheid van de staat ook hier grote verschillen.
De noordelijke kusten hebben een klimaat dat nog veel lijkt op dat van de noordwestelijke staten. Verder naar het zuiden en meer landinwaarts gaan de temperaturen steeds verder omhoog en worden de zomers in Centraal- en Zuid-Californi droog. In het zuidoosten lijken de omstandigheden dan steeds meer op de woestijngebieden in Arizona en Noord-Mexico.
De bergen aan de kust en van de Sierra Nevada zijn zo hoog dat de overvloedige neerslag vaak in de vorm van sneeuw valt. Californi is een van de zonnigste staten van het land. Het aantal zonuren varieeert van 7-8 in de winter tot 12-14 uren in de zomer in de droogste gebeiden van se staat. Door de zeemist liggen deze waarden aan de kust veel lager: van 6-7 uren in de winter tot 9-10 in de zomer.
San Francisco is een apart geval met vrij koele, milde zomers. Dit komt door de vrij frequent optredende mist die vanuit de zee de stad binnendrijft.
Het binnenland en de noordkust van Alaska hebben een poolklimaat of semi-poolklimaat. Op de bergen ligt altijd sneeuw en ijs en de vlakke delen hebben te lijden onder de permafrost. Rivieren zijn van september tot eind mei bevroren.
In de zomer kan het nog verrassend warm worden en dat komt door de lange dagen daglicht. De winters zijn streng en duren lang. Met name als het hard waait is de temperatuur zeer onaangenaam. De neerslaghoeveelheden zijn beperkt en vallen meestal in de vorm van sneeuw; de zomer is het natste seizoen. Aan de kust van de Pacific heerst een geheel ander klimaat. Hier valt veel meer neerslag en is het weer veel minder voorspelbaar.
De zomertemperaturen liggen hier lager dan in het binnenland en de winters zijn weliswaar koel maar veel milder dan in het binnenland. Wolken en mist komen in alle seizoenen voor.
Hawa heeft een tropisch klimaat waar de temperaturen getemperd worden door de hoogte waar men zich bevindt en door de vanuit de zee waaiende wind. De Hawa-eilanden liggen in het gebied van de vrijwel het gehele jaar waaiende noordoostpassaat.
De temperatuur is tamelijk gelijkmatig, op zeeniveau gemiddeld 23C, met een maximum van 30C en een minimum van 11C. De regenval treedt vooral op aan de windkant van de eilanden. Op Kauai is de grootste regenval ter wereld geregistreerd, 12,5 m per jaar op de observatiepost Waialeale, 1740 m hoog. De zuidwestkust is relatief droog, de noordoostkust ontvangt de meeste neerslag.
In de drogere gebieden valt de meeste neerslag in de periode oktober tot en met maart, wat nogal ongewoon is in de tropen. Het aantal zonuren valt erg mee als gevolg van de vele regenval. Het varieert van 7-10 uur in de wat drogere hoofdstad Honolulu tot 4-5 uur in de nattere gebieden.
Planten en dieren
Planten
Verenigde Staten Prairie De oorspronkelijke flora in het noordwesten van de Verenigde Staten heeft sterk geleden onder de ontginning van het land. Op de uitgestrekte grasvlakten groeiden oorspronkelijk manshoge grassoorten, met het zogenaamde tall grass (1,5-2 meter hoog), in Iowa en Kansas. In het Konza Prairie Research Natural Area bij Topeka wordt de oorspronkelijke vegetatie nog beschermd. Meer naar het westen op hogere en schrale grond groeit short grass, een kortere variant. In delen van de staten Idaho, Oregon, Washington en Wyoming heersen woestijnachtige omstandigheden, waar saliestruiken de overhand hebben. De oostelijke grasvlakten zijn ondertussen ontwikkeld tot landbouwgebied, terwijl in de westelijke delen de veeteelt overheerst. Door de overvloedige regenval zijn de westelijke hellingen van de Rocky Mountains met schitterende bossen bedekt: rode ceders, douglassparren en sequoias.
De staat Minnesota is grotendeels bedekt met bossen. Notenbomen, eiken, berken, en pijnbomen komen overal voor en op droge rotsachtige bodems groeien ceders, witte sparren, balsemsparren en hemlocksparren. Moerasgebieden, meer- en rivieroevers zijn de geliefde habitat van zwarte sparren, Amerikaanse lariksen en westerse levensbomen. Ondiepe inhammen tooien zich met geelbloeiende plompen, slangenwortel en lisdodden. De nationale bloem van Minnesota is de pink ladys slippers, een tot de orchideen behorende vrouwenschoentjes-soort. De bossen in Washington en Oregon bestaan uit de westerse hemlocksparren, rode ceders en op grotere hoogte Engelmannsparren en lodgepoledennen. In de regenwouden aan het kustgebied groeien ceders en hemlocksparren tot uitzonderlijke maten uit, maar ook douglas- en sitkasparren bereiken een lengte van 100 meter en een omvang van 4-5 meter.De bodems zijn bedekt met paddestoelen, (korst)mossen en varens. Op de plateaus tussen de bergketens overheerst loofwoud met esdoorns en eiken. In het zuidwesten van Oregon groeien de beroemde redwood-bomen en mammoetbomen. Het Colorado-Plateau wordt gedomineerd door saliestruiken.
Buiten de badlands van South-Dakota domineert gemengd- en kortgrasprairie, een van de weinige goed bewaard gebleven resten van de graslanden van de Great Plains. Meer dan vijftig soorten gras worden hier gevonden, waarbij laag buffelgras, blue grama en blauwachtig western wheatgrass tot de meest voorkomende behoren. Daartussen groeien meer dan tweehonderd soorten kruidachtige bloeiende planten. Onder de bomen domineren Rocky Mountains-jeneverbessen en rode ceders.
De prairies van North-Dakota lijken veel op die van de zuiderbuur, maar zeer verrassend op deze noordelijke breedten zijn winterharde vijgcactussen met rode vruchten. Langs de Little Missouri groeien hoge populieren en wilgen.
In het beroemde Yellowstone National Park worden ca. 1100 plantensoorten aangetroffen. In de beboste terreinen domineren naaldbomen en dan vooral de murrayana-dennen. De overige vegetatietypen variren van semi-aride bosland tot moerassen, marslanden en alpiene bergweiden. In het Yosemite-dal vormen gele dennen, Jeffrey-dennen, liboceders, Californische zwarte eiken en grootbladige esdoorns een gemengd bos. In de rest van het park bepalen coniferen het vegetatiebeeld.
Het Glacier National Park in Montana bezit twee klimatologische verschillende helften, wat invloed heeft op de vegetatie. Zo groeien westelijke hemlocksparren en reuzenlevensbomen alleen in de ten westen van de bergen gelegen McDonald Valley. Witte dennen en Amerikaanse ratelpopulieren groeien in de oostelijke dalen. Engelmannsparren en douglassparren beheersen de bergbossen en murrayana-dennen komen in drogere bossen voor. In de alpiene zone vormen Alpen-zilversparren en witschorsdennen de boomgrens. Op veel plaatsen groeit berengras, lelieachtige planten die tot 90 cm hoog kunnen worden.
In de meest noordwestelijke staat Washington komt gematigd regenwoud voor met als karakteristieke boom de sitkaspar. Typisch en vaak bijzonder dicht begroeid met ontelbare mossen, korstmossen en varens is de grootbladerige esdoorn. Engels mos uit de groep van de wolfsklauw hangen in dichte gordijnen van de takken. De ondergroei wordt gevormd door sword fern en paardenstaart, samen met enkele bloeiende planten. In het drogere laaglandbos komen meer reuzenzilversparren voor. Hoe hoger men komt, des te meer treden westelijke weymouthdennen, Pacifische zilverdennen en nootkacipressen op de voorgrond. In de ondergroei gedijen verschillende bessenstruiken en de roze gekleurde, zeldzame bosnimf uit de familie der orchideen. Nog hoger liggen weiden met blauwe lupinen, dieprode magenta paintbrushes en felpaarse struikasters.
In het bergachtige noordoosten van Californi domineren beneden de 2000 meter hoogstammige gele dennen, Jeffrey-dennen en Colorado-zilversparren. De soms manshoge roodstammige greenleaf manzanita, een berendruifsoort, vormt een dichte ondergroei. Op warme plekken groeien bosjes liboceders en reuzendennen met ca. 50 centimeter lange kegels.
In het Sequoia/Kings National Park varieert de hoogte van 500 meter tot meer dan 4000 meter, en dat heeft verschillende klimaat- en vegetatiezones tot gevolg. Opvallend in het voorgebergte (500-1400 meter) zijn de blauw glanzende blue oaks, de Californische kastanje en de yuccasoort our Lords candle. De montane vegetatiezone (1400-2500) is het rijk van de mammoetbomen, die in 75 kleine bossen verdeeld zijn. De bossen in de onderste gordel van de subalpiene en alpiene vegetatiezone (vanaf 2500 meter) wordt gekenmerkt door prachtzilverdennen, murrayana-dennen en vossenstaartdennen, boven de 3300 meter gaat de vegetatie in alpiene weiden over. Tijgerlelies groeien bij bosbeken of bronnen.
Boven de boomgrens (vanaf 3400 meter) in de berggebieden van Colorado strekt zich de alpiene vegetatiezone of toendra uit. Vorst, storm en sneeuw beperken hier de begroeiing tot lage boomplanten. Meer dan honderd bloeiende plantensoorten maken gebruik van de slechts acht tot tien weken durende vegetatieperiode: voorbeelden hiervan zijn alpine avens, een nagelkruidsoort, alpine sunflowers en de arctische gentiaan.
In het zuidoosten van de Verenigde Staten groeien altijd-groene bomen, zoals Amerikaanse eiken, esdoorns, beuken, kastanjes, essen, berken, iepen, notenbomen, linden en magnolias. Overheersend zijn echter pijnboom- en moeraswouden. Moeraslanden kunnen onderscheiden worden in marshes, met een kruidige vegetatie, en swamps, met struiken en bomen, met name cipressen. In North Carolina en de golfstaten groei het unieke Spaanse mos, wortelloze plantjes die op eiken en cipressen leven. Het zijn zogenaamde epifieten, en brengen dus geen schade aan.
In de Everglades en in delen van Zuid-Louisiana komen verschillende soorten mangroves voor, goed herkenbaar door de luchtwortels en altijdgroene bladeren. In het brakke water vindt men rode, witte, zwarte en knoopmangroven. Op iets hoger gelegen boomeilanden of hammocks, domineren tropische gewassen als gumbo limbo, mahoniehoutbomen, koningspalmen en strangler figs. Klimplanten, bromelias, orchideen en een deels dichte ondergroei van varens en mossen zorgen voor een eigen microklimaat. Water- en voedselrijke bekkens vormen groeiplaatsen van moerascipressen, verwante van redwoods en mammoetbomen. Een weelderige begroeiing van Spaans mos, stiff-leaved wild pine, orchideen en andere epifieten zorgt voor een bijzonder gezicht. Hoger liggende kalksteenruggen zijn met bossen van bastaarddennen begroeid. De floodplains van het Mississippigebied hebben een bosrijke vegetatie met esdoorns, cottonwood en in het zuiden cipressen en gombomen. De mosachtige bogs liggen wat noordelijker.
De Great Smoky Mountains, de hoogste bergen van de Appalachen, hebben door een vruchtbare bodem, overvloedige regenval en een hoogteverschil van bijna 1800 meter, een flora vol afwisseling met bijna 1600 soorten, waarvan alleen al 123 boomsoorten. Loofbossen domineren de onderste parkzone, onder andere witte esdoorns, gele berken en magnoliabomen. Boven 1400 meter vinden we Amerikaanse beuken en ook nog gele berken. In het voorjaar bloeit hier ook een grote verscheidenheid aan rododendrons, maar ook de breedbladige lepelboom.
Het noordoostelijke deel van de Verenigde Staten is dicht bebost, vooral New England waar ca. 80% van het land bedekt is met wouden. Pennsylvania en New York zijn ook bebost, maar niet met oorspronkelijke wouden.
Ten oosten van de Appalachen zijn nieuwe loofwouden ontstaan met veel Europese boomsoorten als kastanjes, beuken, eiken, populieren en berken, maar ook Amerikaanse ratelpopulieren, papierberken en Amerikaanse beuken. In New Hampshire en Maine groeien veel naaldbomen met als karakteristieke boom de suikerahorn of maple tree, en verder rode sparren, balsemsparren en pekdennen, een taaie soort die op rotsachtige bodems groeit. In deze regio zijn ook veel appel-, peren-, en kersenboomgaarden aangelegd. Verder veel bessenstruiken, onder andere de bekende cranberry (veenbes). Ook wordt er nog wat tabak verbouwd.
Ten zuiden van New York gaat het gematigd vochtige loofwoud over in sparrenwouden. In het gehele oosten van de Verenigde Staten komt de gifklimop voor, die flinke huidontstekingen en blaren kan veroorzaken.
Verenigde Staten Sequoia De afwisselende ecosystemen in het zuidwesten van de Verenigde Staten zorgen voor een zeer uiteenlopende flora. Zo groeien langs de noordkust van Calforni de redwoods of Sequoia sempervirens, de hoogste bomen ter wereld tot 112 meter hoog. In de neerslagrijke Sierra Nevada groeien de iets kleine maar veel omvangrijkere Sequoiadendron giganteum die duizenden jaren oud kunnen worden.
In de berggebieden overheersen pijn- en cederbossen. Zeer bijzonder is de woestijnvegetatie met bijvoorbeeld de Joshua tree, een familielid van de yucca. Iets kleiner zijn de karakteristieke saguarocactussen (tot 15 meter hoog) in de Sonora Desert. De Sonora is begroeid met droogtegewassen als de mesquitobomen, doornbrembomen en extreem hard ironwood. Zeer veel voorkomende dwergstruiksoorten zijn de creosootheesters, de white brittlebush en de zeldzame otillos. De lechuguilla is een agavesoort die door de woestijnbewoners voor allerlei dingen gebruikt werd. Gevaarlijk voor de mens is de zeer stekelige chollacactus. Andere cactussoorten zijn de omvangrijke ferocactussen, Engelmanns pricklypears, orgelpijpcactussen en Senita-cactussen. De noordelijke delen van het Great Basin (sagebrush country) zijn vegetatiearm, met hier en daar wat alsemstruiken.
Op de laagste, droogste plaatsen in de Grand Canyon komen creosootheesters, doornige catclaw-acacias en mesquitobomen voor.
De hooggelegen droogtegebieden van Utah zijn begroeid met piondennen, Utah-jeneverbessen, gele dennen, Colorado-zilversparren, douglassparren en Amerikaanse ratelpopulieren. Langs de waterlopen groeien verschillende wilgensoorten, vederesdoorns en tot de wijnstokfamilie behorende klimplanten. In het Bryce Canyon National Park kan men op rotskruinen en zandgronden witte dennen en de Great Basin-hickory-den vinden, die tot de oudste planten ter wereld behoren. De ouderdom wordt op 4600 jaar geschat. Princes plumes behoren tot de kruisbloemigen en ze zijn zeer giftig. Grassen als Indian ricegrass zijn belangrijke voedingsbronnen voor zoogdieren en vogels.
De karakteristieke planten van de Chihuahua-woestijn in New Mexico groeien in het bovengrondse deel van het nationale park. Lechuguilla-agaven, ocotillos, torrey yuccas en de kleinere soaptree yuccas, de nationale bloemen van New Mexico, zijn talrijk. In de beschutting van de canyons, rond de waterplaatsen en in de hogere regionen, vindt men ook grotere struik- en boomsoorten, waaronder desert willows, Texas-okkernoten en de altijdgroene one-seed junipers.
In het Texaanse gedeelte van de Chihuahua-woestijn domineren droogtestruiken, met als talrijkste de creosootheester. In de beschutting van deze plant groeit de Christmas cactus, een van de zeventig cactussoorten van het Big Bend National Park. Bijzonder is de candelilla, een wolfsmelkgewas. In het iets hogere gedeelte groeit de grootste yucca, de giant dagger yucca.
In het meer regenrijke Chisos Mountains groeien groenblijvende Texas madrones, een soort aardbeiboom, Mexican pinyons, drie jeneverbes- en veel eikensoorten. De oevers van de Rio Grande worden omzoomd door een rietgordel, waaruit het ca. 4,5 meter hoge pijlriet omhoogsteekt.
Dieren
ZOOGDIEREN
Verenigde Staten Bizons Ten noorden van Mexico vinden we negen orden van land- en amfibische zoogdieren met ca. 370 soorten. Hiervan komen ca. 20 soorten alleen in Alaska (en Canada) voor, zoals halsbandlemming, poolvos, ijsbeer, muskusos en verschillende soorten zeehonden. Zuidelijke soorten als de halsbandpekari en de Allen-ezelhaas komen alleen maar in de Verenigde Staten voor.
De orde van de buideldieren is maar met n soort vertegenwoordigd, de Virginiaanse opossum. Ook de orde van de gordeldieren kent maar n soort, het negenbandgordeldier. De laatste orde met maar n soort is die van de zeekoeien, de Caribische lamantijn.
Insekteneters betreft 37 soorten uit de families van de spitsmuizen en mollen.
Wijdverbreid is de orde van de vleermuizen met ca. 40 soorten. In het gehele zuidwesten van de Verenigde Staten komt de guanovleermuis voor. Bij de Bat Cave van de Carlsbad Caverns in New Mexico is elke avond een spectaculair tafereel te zien. Tienduizenden van deze vleermuizen kringelen in de avondhemel omhoog en gaan op jacht naar insecten.
De negentien soorten haasachtigen van Noord-Amerika omvatten ook de familie van de Amerikaanse pika of fluithaas.
Knaagdieren komen overal voor met ongeveer 200 soorten. Daartoe behoren stompstaarteekhoorns, zwartstaartprairiehonden, geelbuikmarmotten, chipmunks, wangzakratten en muizen, de Canadese bever, springmuizen, het Noord-Amerikaanse stekelvarken en de beverrat. Boomeekhoorns zijn o.a. rode eekhoorns, chikarees en de vlieghorentjes. Ordkangoeroegoffers springen als kangoeroes.
Tot de orde van de roofdieren behoren zwarte en bruine beren, poemas, Noord-Amerikaanse wasberen, zilverdassen, neusberen, Noord-Amerikaanse katfretten, coyotes, rode lynxen, de gestreepte skunk, de zeldzame ocelot en even zeldzame zwartvoetbunzing. In Minnesota komt de grijze wolf weer meer voor. De bekendste amfibische roofdieren zijn de Californische zeeleeuw en de gewone zeehond.
De evenhoevigen zijn met vijftien soorten vertegenwoordigd, o.a. witstaartherten, edelherten, muildierherten, dikhoornschapen, elanden, sneeuwgeiten en bizons. In het noordwesten leven gaffelantilopen, de snelste zoogdieren van Noord-Amerika.
VOGELS
Verenigde Staten Amerikaanse Zeearend Van de ca. 750 vogelsoorten broeden ongeveer 620 soorten in Noord-Amerika. Sommige van de in totaal 73 vertegenwoordigde families zijn wereldwijd verbreid, o.a. roofvogels, valken, eend-achtigen, reigers, duiven en uilen, o.a. het konijnuiltje een van de kleinste roofvogels ter wereld (12-14 cm). Bijzonder zijn ook de o.a. in South Dakota voorkomende holenuilen en de gevlekte bosuil in de redwood-bossen.
Andere komen alleen voor op het noordelijke halfrond, zoals de pestvogels, boomkruipers en zeeduikers. Slechts n familie vindt men alleen in de Verenigde Staten en Midden-Amerika: de kalkoenen.
Roofvogels komen in zeer veel variteiten voor, bijvoorbeeld roodstaartbuizerd, blauwe kiekendief, steenarend, slechtvalk, prairievalk, visarend en de nationale vogel van de Verenigde Staten, de Amerikaanse zeearend. Aaseters zijn de kalkoengier en de zwarte gier.
Van bijna alle vogels in de Nieuwe Wereld ligt het zwaartepunt van het verspreidingsgebied in Zuid- en Midden-Amerika en zij bezoeken maar af en toe het zuiden van de Verenigde Staten, zoals de cotingas, de hokkos en de trogons.
Enkele families dringen echter door tot in Alaska en broeden in Noord-Amerika, zoals koerlans, gieren (inclusief de bijna uitgestorven Californische condor), troepialen (o.a. de Brewers zwarte troepiaal en de Baltimore-troepiaal), spotlijsters, witstaartsneeuwhoenders, woudzangers, tangaras, kolibries, winterkoninkjes, tirannen en vireos.
Florida is een waar vogelparadijs met o.a. witte en blauwe reigers, schimmelkopooievaars, slangenhalsvogels, roze lepelaars, kiekendieven, wouwen, steltlopers, plevieren, zee- en visarenden.
In het Yellowstone National Park vindt men Canadese ganzen, Amerikaanse witte pelikanen en zeldzame trompetzwanen.
In het Everglades National park komen ca. 350 vogelsoorten voor, o.a. rode lepelaars, witte ibissen, Amerikaanse witte pelikanen, Amerikaanse slangenhalsvogels, alle twaalf Noord-Amerikaanse reigersoorten, visarenden, roodschouderbuizerds, kalkoen- en zwarte gieren, epauletspreeuwen, bootstaarten, roodgekuifde zwarte spechten, moeraswouwen en de zeldzame schimmelkopooievaars.
In de Sonora-woestijn leven o.a. helmkwartels, cactuswinterkoninkjes, krombekspotlijsters, renkoekoeken en Amerikaanse klapeksters.
In het uiterste noordwesten van De Verenigde Staten komen o.a. voor blauwe sneeuwhoenders, roze vinken, grijze juncos, bonte lijsters en bruine kolibries. Aan de Grote Oceaankust vindt men Beringmeeuwen, Pelagische aalscholvers, zeekoeten, neushoornpapegaaiduikers en duifzeekoeten.
In de laatste eeuwen zijn o.a. uitgestorven de reuzenalken, Labrador-eenden, Carolina-parkieten, trekduiven, eskimowulpen en de ivoorsnavel, eens de grootste specht ter wereld.
REPTIELEN
Verenigde Staten Gilamonster Noord-Amerika telt ca. 290 soorten reptielen, waarvan ratelslangen, Mississippi-alligators en gilamonsters (giftige hagedissoort) de meest opmerkelijke en gevaarlijke verschijningen zijn. Verder komen er ca. vijftig soorten schildpadden voor, o.a. de diamantrugschildpad in Texas, de gigantische alligatorschildpad (tot 100 kg) en de woestijnschildpad. Tot de leguanen behoren o.a. de dove leguanen, woestijnstekelleguanen, halsbandleguanen, chuckwallas, korthoornpadhagedissen, renhagedissen en padhagedissen. In het oosten van de Verenigde Staten is de gestreepte skink wijdverbreid.
De vrij zeldzame Amerikaanse spitssnuitkrokodil komt alleen nog maar in de brakke wateren van Zuid-Florida.
AMFIBIEN
De amfibien komen in Noord-Amerika met ongeveer 200 soorten voor. Tot de orde van de salamanders horen de axolotls en de longloze salamanders. De Pacifische reuzensalamander komt o.a. in de westelijke redwood-bossen voor. De familie van de curieuze, uitwendige kieuwen dragende sirenen komen alleen in Noord-Amerika voor.
Tot de kikvorsachtigen behoren de Amerikaanse knoflookpad, de stierkikker, de uit Midden-Amerika afkomstige reuzenpad, en de vele boomkikkersoorten( o.a. de Pacifische boomkikker). Tot op 3600 meter hoogte in Californi komt de mountain yellow-legged frog voor, een bruinachtige kikker met een opvallend geeloranje buik.
VISSEN
De zeen rondom Noord-Amerika beschikken nog steeds over een grote rijkdom aan vis. In de oostelijke wateren wordt vooral gevist naar haring, schol en kabeljauw, in het oosten naar zalm, tonijn en sardine.
Aan de oevers van veel rivieren wordt gevist naar de Pacifische zalm, zowel door mensen als door beren. Andere zoetwatervissen zijn blauwrugzalmen, regenboogforellen en zeeforellen.
Een bijzondere oceaanbewoner in het noordoosten van de Verenigde Staten is de degenkrab, levende fossielen en de laatste exemplaren van een dierengroep die 500 miljoen jaar geleden massaal voorkwam.
ONGEWERVELDEN
Er zijn in Noord-Amerika ca. 100.000 soorten bekend, o.a steekmuggen, ringwormen (o.a. de zwarte ringworm in de noordoostelijke staat Washington), vlinders en spinnen (o.a. tarantulas en zwarte weduwen). In het westen van de staat Washington leven tot 15 cm lange naaktslakken. |